Maatschappelijke relaties – Extern

Extern

De Swifterbanters hadden contacten met hun omliggende culturen, al blijft de precieze aard en intensiteit daarvan onduidelijk. Archeologische vondsten zoals aardewerk en werktuigen, en isotopen-onderzoek geven echter wel een beeld van deze interacties.

In de omgeving van de Swifterbanters leefden de Bandkeramische cultuurde Rössencultuurde Michelsbergcultuur en de Hazendonkgroep. Terwijl de Swifterbanters vooral in het noorden van Nederland leefden (en in Duitsland en België), woonden de andere groepen vooral in het midden en zuiden van Nederland.

Afb.9 Vereenvoudigde weergave van de tijdvakken van de culturen tussen 5500 v.Chr. en 3400 v.Chr. in Nederland

Behalve in Nederland, hadden de Swifterbanters waarschijnlijk ook contacten met cultuurgroepen buiten de huidige landsgrenzen. Over deze contacten is echter nauwelijks iets bekend. Aannemelijk is wel dat de Swifterbanters in ieder geval contacten hadden met de Ertebølle-cultuur (5300 – 3950 v.Chr.) in Zuid-Scandinavië (Zuid-Zweden en Denemarken) en de Trechterbekercultuur (4350 tot ca. 2750 v.Chr.) van Noord-Duitsland tot in het zuiden en westen van Zweden.

Afb.327 Cultuurgroepen in Europa rond ca. 5000 – 4000 v.Chr.

Hieronder wordt per cultuurgroep ingegaan op de contacten die de Swifterbanters mogelijk met hen hadden.

Bandkeramische cultuur

Toen de Swifterbantcultuur ontstond, in het noorden van Nederland, leefden de Bandkeramiekers al ongeveer 250 jaar in Zuid-Limburg. Gedurende ongeveer 600 jaar hadden de Swifterbanters de Bandkeramiekers als buren. Van alle buren verschilden de Bandkeramiekers het meest van de Swifterbanters, qua o.a. voedselvoorziening, wonen en begrafenisrituelen. De Bandkeramiekers bevonden zich, in vergelijking met het leefgebied van de andere culturen in Nederland, ook het verst van de Swifterbanters. Er bleef daarbij een scherpe scheidslijn bestaan tussen enerzijds de Bandkeramiekers in het zuiden van Nederland en anderzijds de Swifterbanters in het uitgestrekte laagland in het noorden. Voor beide partijen was er geen reden om naar elkaars gebied te migreren. Voor de Swifterbanters was de leefstijl van de Bandkeramiekers, zoals de arbeidsintensieve- huizenbouw en landbouw, niet aantrekkelijk. Voor de Bandkeramiekers waren de klimaatcondities en de schrale zandgronden in het noorden niet geschikt voor de wijze waarop zij landbouw toepasten. Andere, zoals sociale, redenen hebben (mede daardoor) mogelijk ook een rol gespeeld om zich niet te mengen in elkaars gebied.

Dat er wel wat contacten waren tussen beide groepen is echter wel aannemelijk. Bandkeramiekers hadden een groot leefgebied en het afleggen van afstanden zal mogelijk geen al te grote barrière zijn geweest om in contact te komen met jager-verzamelaarsgroepen zoals de Swifterbanters. Ook de Swifterbanters waren mogelijk in staat om, zoals boven beschreven bij de interne sociale structuur, grote afstanden, wellicht in ieder geval tot 160 km., af te leggen. Op basis van antropologische studies wordt aangenomen dat de contacten divers van aard waren: er zullen goederen, ideeën en huwelijkspartners zijn uitgewisseld en mogelijk werkten jagers-verzamelaars, zoals de Swifterbanters, mee in de akkerbouw bij de Bandkeramiekers. Bovendien blijkt uit vondsten van aardewerk, dissels en mogelijke pijlspitsen dat er waarschijnlijk wel wat contacten, direct of indirect, waren met elkaar.

Zo zijn er diverse bijlen van de Bandkeramiekers buiten hun leefgebied aangetroffen, waaronder in het leefgebied van de Swifterbanters. Hoe en wanneer deze bijlen daar precies zijn terechtgekomen, is niet duidelijk. Mogelijk verloren zij deze of lieten de Bandkeramiekers hun bijlen achter tijdens eventuele expedities buiten hun leefgebied. Een andere optie is dat hun bijlen buiten hun leefgebied terecht kwamen via ruilhandel met- en/ of roof door hun buren, de jager-verzamelaars, zoals de Swifterbanters.

Afb. 123 De verspreiding van Bandkeramische dissels in het Nederrijnbekken buiten de löss- en Bandkeramische bezettingszone. Roze: lössgebieden. Rood: vestigingsgebieden Bandkeramiekers. Blauwe stippen: Vondsten Bandkeramische dissels. Stippellijnen: afstand tot vestigingsgebied Bandkeramiekers

Ook uit isotopenonderzoek van skeletmateriaal blijkt dat Bandkeramiekers mogelijk contacten hadden met jager-verzamelaarsgroepen, zoals de Swifterbanters. Uit dit onderzoek bleek dat er binnen de Bandkeramische gemeenschappen duidelijk sprake was van vermenging met individuen met een duidelijk afwijkend isotopensignaal, mogelijk, maar niet noodzakelijk, van jagers-verzamelaars. Onderzoekers vermoeden dat jager-verzamelaarsvrouwen soms introuwden in de Bandkeramische samenleving. Het lijkt er op dat de contacten met jager-verzamelaars in de late fase van de Bandkeramische cultuur intensiever werden. Maar in welke mate en of ook Swifterbantse vrouwen introuwden, is vooralsnog onduidelijk.

Rössencultuur

Vanaf ongeveer 4800 v. Chr. kregen de Swifterbanters met nieuwe buren te maken, de Rössencultuur (4800-4300 v. Chr.). Deze bevond zich in Limburg en vermoedelijk ook in Noord-Brabant en Zeeland. Dit was dichterbij het leefgebied van de Swifterbanters dan de Bandkeramische cultuur. Mogelijke contacten met deze nieuwe buren kunnen ook hier worden afgeleid uit vondsten van bijlen, Breitkeilen, die o.a. in het leefgebied van de Swifterbantcultuur zijn aangetroffen.

Afb.143 De verspreiding van de Breitkeilen van de Rössencultuur in het Nederrijnbekken. Roze: lössgebieden. Grijs: Vestigingsgebieden van de Rössen. Rood: Vondsten van Breitkeilen van de Rössen in België en Nederland. Blauw: Vondsten van Breitkeilen van de Rössen in Duitsland

Deze Rössen Breitkeilen zijn gevonden in de gehele laagvlakte, tot in Denemarken. Vermoedelijk zijn deze bijlen door de jager-verzamelaars, en mogelijk dus ook de Swifterbanters, verworven door middel van ruilhandel. De Breitkeilen zijn in grotere aantallen aangetroffen dan de Bandkeramische dissels. Het lijkt er dus op dat de Swifterbanters waarschijnlijk meer contacten hadden, en zo mogelijk ook meer uitwisseling van kennis en ideeën, met de Rössencultuur dan met de Bandkeramiekcultuur. Dat er meer bijlen zijn aangetroffen, had wellicht te maken met het feit dat de Rössen wat noordelijker, en dus wat dichterbij het leefgebied van de Swifterbanters, woonden. Bovendien teelden de Rössen granen die geschikter waren voor minder vruchtbare grond. Dit was interessanter voor de Swifterbanters. De contacten waren daarom mogelijk intensiever dan met de Bandkeramiekers, en heeft mogelijk een rol gespeeld in de verspreiding van de Breitkeilen.

Michelsbergcultuur

Ook met de cultuur die volgde op de Rössencultuur, de Michelsbergcultuur (4400-3500 v.Chr.), hadden de Swifterbanters contacten. De Michelsbergers hadden in het Maasdal bepaalde periodes contact met mesolithische jager-verzamelaarsgroepen, zoals mogelijk ook de Swifterbanters. Dit blijkt uit het feit dat de door Michelbergers gewonnen Rijckholtvuursteen en hun producten hiervan, ver buiten hun woongebied zijn aangetroffen, ook in het leefgebied van de Swifterbanters.

Bij de introductie van landbouwgewassen speelde de Michelsbergcultuur in de zuidelijke regio een belangrijke rol en mogelijk ook in de kustregio.

Afb.170 Verspreiding van voorwerpen van Rijckholtvuursteen

Hazendonkgroep

Halverwege de periode van de Michelsbergcultuur, ontstond de Hazendonkgroep in het zuid-westen van Nederland (3800-3400 v.Chr.). Op grond van de overeenkomsten in aardewerk wordt wel aangenomen dat de Hazendonkgroep de noordwestelijke tak van de Michelsbergcultuur vertegenwoordigt. Maar op basis van het neolithisatieproces, worden de Hazendonkers door een aantal onderzoekers beschouwd als een aparte archeologische groep. In beide gevallen is het in ieder geval aannemelijk dat, ook gezien het feit dat hun leefgebieden dicht bij elkaar lagen en een locatie zelfs identiek was (Hazendonk), de Swifterbanters contacten onderhielden met de Hazendonkers. Er is zelfs een pot op een Swifterbantsite (S3) gevonden met kenmerken van de Hazendonkgroep. De Hazendonkers waren verder ontwikkeld dan de Swifterbanters op de noordelijke zandgronden, maar minder ver dan de Michelsbergers in de zuidelijke lössgordel. De Hazendonkers combineerden landbouw met jagen en verzamelen, net als de Swifterbanters. Het is zeer aannemelijk dat beide groepen kennis en ervaringen hierover hebben uitgewisseld en elkaar hebben beïnvloed.

Ertebølle-cultuur

Vanaf het begin van de Swifterbantcultuur grensde in het noord-oosten van hun leefgebied de Ertebølle-cultuur (5.300 – 3.950 v.Chr.) in Zuid-Scandinavië (Zuid-Zweden en Denemarken) (zie afb.327 hierboven). Zij bestond toen al 300 jaar.

De Ertebølle-cultuur, bekend van de grote schelphopen, is de opvolger van de Kongemose-cultuur en heeft met de Swifterbantcultuur een gezamenlijke ontstaansgeschiedenis (zie ook het onderwerp Kongemose-cultuur op de pagina ‘Jagers en verzamelaars in de Midden-steentijd‘). De Ertebøllers hadden veel overeenkomsten met de Swifterbanters. Zo leefden zij net als de Swifterbanters in een waterrijk gebied, gebruikten boomstamkano’s, gebruikten de doorboorde Rössen-bijlen en maakten aardewerk.

Afb.327a Illustratie zoals een locatie van de Ertebølle-cultuur er uit kan hebben gezien

Het latere aardewerk van de Swifterbantcultuur lijkt sterk op het aardewerk van de Ertebøllecultuur. Beide typen aardewerk kennen een puntbodem (zie ook de pagina ‘Aardewerk‘). Maar er waren ook grote verschillen met de Ertebøllecultuur. De vuursteenindustrie was volstrekt anders. Ook onderscheidde de Swifterbantcultuur zich van de Ertebøllecultuur, doordat de Swifterbantcultuur omstreeks 4500 v.Chr. begon met het houden van vee en later ook graan ging verbouwen. De Ertebølle-cultuur startte pas duizend jaar later met veeteelt en deed niet aan het verbouwen van graan. Zij gebruikte wel in het wild groeiend graan, die zij waarschijnlijk uit het zuiden had verkregen. Ook begon ze pas rond 4800 – 4600 v. Chr., een paar eeuwen later dan de Swifterbantcultuur, met het maken van aardewerk waarbij zij een wat andere oproltechniek en magering toepaste. Aangezien de Ertebølle-cultuur veel overeenkomsten toont met de Swifterbantcultuur qua leefstijl en leefomstandigheden, en een gezamenlijke ontstaansgeschiedenis kent, is het aannemelijk dat zij contacten hebben gehad met elkaar en o.a. kennis en producten hebben uitgewisseld. In Zuid-Scandinavië werd deze mesolithische cultuur grotendeels vervangen door de neolithische Trechterbekercultuur, die mogelijk nog meer invloed heeft gehad op de Swifterbanters.

Trechterbekercultuur

In Noord-Europa verscheen tussen 4350 tot ca. 2750 v. Chr. de Trechterbekercultuur, ook bekend als de Hunebedbouwers. De Trechterbekers waren een volledig agrarische gemeenschap, waarbij in de beginfase jagen en verzamelen ook belangrijke onderdelen waren. De Trechterbekers gebruikten als eerste boeren een door runderen voortgetrokken eenvoudige ploeg (eergetouw). Hierdoor konden zij gemakkelijker grote stukken land bewerken. Trechterbekers gebruikten ook houten karren die door ossen werden getrokken. Of ze deze ook in Nederland gebruikten, is niet bekend (zie ook ‘De Trechterbekercultuur‘ op de pagina’s ‘Landbouw‘, ‘Maatschappelijke relaties‘ en ‘Einde Swifterbantcultuur‘).

Afb.341 Illustratie van landbouw door de Trechterbekercultuur

De Trechterbekercultuur ontstond in Noord-Duitsland en verspreidde zich in een korte periode (tussen 4200 en 4000 v. Chr.) van Noord-Duitsland tot in het zuiden en westen van Zweden. In Zuid-Scandinavië verving zij grotendeels de mesolithische Ertebølle-cultuur. Vervolgens verspreidden de Trechterbekers zich uit naar Polen en uiteindelijk ook Nederland. Vanaf ca. 3500 v. Chr. vestigde deze Trechterbekercultuur zich in het leefgebied van de Swifterbanters, 100 jaar voor het einde van de Swifterbantcultuur. De Trechterbekers vestigden zich in Nederland in de drogere gebieden ten noorden van de (Oude) Rijn, o.a. op de Hondsrug in Drenthe.

Afb.340 Voorouder-verhoudingen van jagers-verzamelaars door de tijd heen in het Rijn-Maasgebied o.b.v. het isotopenonderzoek van I.Olalde e.a., 2025. Blauwe stip=Swifterbantcultuur (Early Neolithic)

Mogelijk vestigden ze zich al eerder in Nederland. Recent isotopen- en DNA-onderzoek (Olalde, e.a., 2025, Olalde, e.a., 2026) van menselijke skeletten uit de (o.a.) de Swifterbantcultuur, gevonden bij de vindplaats Swifterbant, laat namelijk zien dat zich onder de lokale bevolking ook mensen bevonden die duidelijk van elders kwamen. Waarschijnlijk waren zij afkomstig uit meer oostelijke- en zuidoostelijke delen van het huidige Duitsland, waar in die periode vooral boeren leefden. Het ging dus om ‘boerenmigranten’, die mogelijk tot de Trechterbekers behoorden. Uit dit onderzoek komt ook naar voren dat de vermenging vooral via de vrouwelijke lijn verliep; boerinnen werden opgenomen in jager-verzamelaarsgemeenschappen zoals de Swifterbantcultuur, zij droegen waarschijnlijk bij aan de uitwisseling van ideeën en technologieën met betrekking tot landbouw.

Er was dus mogelijk contact en dus invloed van/met de Trechterbekercultuur. Kennis en ervaring van de Trechterbekers op het gebied van met name landbouw hebben daarbij mogelijk een belangrijke- of misschien zelfs een cruciale rol gespeeld. Eén van de onderzoekers van het DNA-onderzoek (Olalde, e.a., 2026), Amkreutz, licht toe: ‘Die landbouw moet je wél leren. Je kan niet stiekem bij de nieuwe boeren in de buurt in een boom klimmen en gaan afkijken wat ze doen. Dat leerproces vergt intensieve interactie. En dat maakt die komst van die neolithische vrouwen in die kustgemeenschappen zo interessant. Dat moeten de dragers van die nieuwe kennis zijn geweest. Die huwelijken moeten onderdeel van handelsconnecties en bondgenootschappen zijn geweest, tussen twee heel verschillende gemeenschappen.’ (zie ook de paragraaf ‘De overgang naar landbouw’ op de pagina ‘Landbouw‘)

Dat er sprake was van wederzijdse beïnvloeding van de Swifterbantcultuur en de Trechterbekercultuur, is ook aannemelijk. Zo geeft één van de onderzoekers aan dat delen van de materiële cultuur van de Trechterbekercultuur, zoals aardewerk, kunnen zijn voortgekomen uit zowel de Swifterbantcultuur als de Vlaardingencultuur.

De Swifterbantcultuur: Vormgegeven door verbinding

De Swifterbanters kwamen dus waarschijnlijk in aanraking met materialen en werktuigen van omringende culturen. Hun bescheiden aanpak van landbouw en het weinig begeerde karakter van hun leefomgeving kunnen hebben bijgedragen aan een relatief vreedzaam bestaan in een periode waar elders in Europa men te maken had met conflicten en strijd. Misschien trouwden Swifterbantse vrouwen zelfs in bij (in ieder geval) de Bandkeramiekers. Via al deze contacten kwamen de Swifterbanters mogelijk ook in aanraking met allerlei andere aspecten van hun buren. Dit leverde hen waarschijnlijk kennis en inspiratie op en beïnvloedde hun eigen cultuur. Zoals het toepassen van landbouw, het wonen op vaste plekken en de vormgeving van hun huizen. Ook rituelen (zoals begrafenissen), religie, taal en muziek werden waarschijnlijk beïnvloed door hun contacten met hun buren. Dit vond waarschijnlijk plaats op lokaal en/of regionaal niveau, aangezien er geen centraal gezag was en de diverse Swifterbantgroepen te maken hadden met elk hun eigen landschappelijke omstandigheden. Het precieze verloop van deze uitwisseling en welke invloed dit had op hun maatschappelijke relaties blijft echter een mysterie.

Waren er ook spanningen of conflicten tussen Swifterbanters en tussen hen en andere groepen? Lees meer hierover op de pagina ‘Maatschappelijke relaties – Conflicten’.

Afb.327i Reconstructie van een nederzetting met bewoners in de steentijd